Nu. Even. Niet.

Nu. Even. Niet.
Photo by Arno Smit / Unsplash

'Ik heb een beetje hoofdpijn,' zegt mijn negenjarige terloops.
"Ah naar, hoe komt dat, denk je?"
'Ja, van die val natuurlijk.'
"Huh, welke val? Wanneer?"
Te laat. Met een geërgerde 'Dat weet ik niet meer, hoor' is de oester reeds gesloten.

En dat terwijl mijn scheur vol openstaat: het vragenvuur is geopend. 'Welke val? Wanneer dan? Hoe is dat gegaan? Ben je van iets hoogs gevallen? Was het thuis of op school? Of met je skeelers? Had je een helm op, of op z’n minst een muts? Had je pijn? Hoe lang heb je al last?'

Met elke vraag zie ik hem verder afhaken. Schouders omhoog. Wegdraaiende blik. Zakkende frons. Tot ik, met hagelschietend, tot stilstand kom. Want ja, de respons blijft uit.

'Had ik maar niks gezegd,' mompelt hij.

Ik snap ’m wel. Dit helpt niet. Ik wíl in verbinding komen, maar feitelijk voert mijn bezorgde moederkant alleen maar de druk op. Met precies ‘helemaal niets’ als resultaat.

Zit ik dan. Tussen mijn goede bedoelingen. En nul info.

Ik kan alleen maar gissen. En me zorgen maken, dát dat kan ik ook. Over die val, dat hoofd, maar ook over wat achter dat ‘zwijgen’ ligt. Of kan liggen. Als hij dít al niet vertelt… hoe moet dat straks dan?

Als het groter wordt. Lastiger. Serieuzer. Vapen. Drank. Gokverslavingen...

Een vriendin herkent deze dynamiek. Haar tienjarige dochter zegt altijd dat ‘alles leuk’ was. School, voetbal, een speelafspraak. Later hoort ze van juf, trainer of een andere ouder dat er juist gedoe was. Een standje. Uit de klas gezet.
Zodra ze ernaar vraagt, klapt haar dochter dicht. Boos. Afwerend. Ze wil het er níet over hebben.

Mijn vriendin twijfelt aan zichzelf: waarom voelt mijn kind zich niet veilig genoeg om haar ei bij mij te leggen?

Ik bel Eva Bronsveld, opvoeddeskundige en expert op het gebied van temperamentvolle kinderen.

Hoe blijf je als ouder nieuwsgierig en betrokken, zonder dat het voor je kind voelt als een verhoor? En misschien nog wel belangrijker: wat doe je met die onrust in jezelf, die alles meteen wil weten? En wat kun je doen om die openheid meer open te breken in aanloop naar de puberteit? Zodat je kind zich veilig genoeg voelt om dingen te delen. Of zijn we al te laat?

‘Je bent nog net op tijd,’ lacht Eva. ‘Maar niet om hem méér te laten praten, want dat moet het doel ook niet zijn. Daar moet je in jezelf een beetje vanaf.

Het belangrijkste is dat een kind voelt: als ik er behoefte aan heb, is er een plek waar ik terechtkan met mijn verhaal. Iemand die naar me luistert. Dan helpt het als jij zelf niet degene bent die drempels opwerpt. Het ene kind is een waterval, het andere heeft tijd nodig om dingen eerst voor zichzelf op een rij te zetten. Zeker als er ‘iets’ is gebeurd. Dat geldt voor volwassenen ook. Soms wil je iets even laten zakken. Of gewoon je ei kwijt, zonder dat iemand meteen met oplossingen komt.

Een kind kan schaamte voelen, schrik, angst. Pas later komt er een moment dat ze het misschien wél willen delen. Maar alles wat jij in die tussentijd forceert, maakt de drempel om het met jou te delen alleen maar hoger. De vraag is ook: moet je overal van op de hoogte zijn? Geef je kind ruimte.
Vertrouw erop dat hij weet dat hij uiteindelijk bij jou terechtkan.

Het gaat erom dat je kind ervaart dat áls hij iets vertelt, het niet meteen een heel ding wordt. Dus als hij zegt dat hij is gevallen, probeer het daar dan bij te laten: “Hè, wat vervelend.” En als hij er niet op doorgaat, begin je rustig over iets anders. Dan voelt hij: ik kan iets zeggen tegen mijn moeder zónder dat het meteen heel groot wordt. Wat dat betreft is het een beetje een kip-ei-verhaal. Als een kind denkt: als ik iets vertel, wordt het gelijk heel groot... dan gaat hij minder delen. En als hij dan wél iets zegt, spring jij er bovenop, waardoor die cirkel in stand blijft.
Het kan helpen om dat eens, op een rustig moment, hardop te benoemen. Bijvoorbeeld: ‘Ik merk dat ik vaak veel vragen stel als jij iets vertelt. Dat is vast irritant. Ik ga mijn best doen om dat minder te doen. En als je mijn hulp nodig hebt, zeg het dan vooral.’

Je kunt hem ook een keuze geven: ‘Wil je dat ik meedenk, of wilde je het gewoon even kwijt?’

‘Wat nog beter helpt...’ lacht Eva. ‘Voor een kind wordt het makkelijker om dingen te vertellen als jij ze niet zo graag wilt weten. En al helemaal niet tot in detail!

Laat zien dat je blij bent met wat hij wél deelt, zonder door te vragen. Daarmee geef je vertrouwen. Soms hebben ze ergens al van geleerd en is het voor hen klaar - terwijl wij er dan nog op terug blijven komen. Zeg bijvoorbeeld: “Fijn dat je dat met me deelt.” Of: “Je kunt me altijd alles vertellen, als je dat wilt.”

Met het oog op de puberteit geef ik je dit mee: je kunt gesprekken ook via een andere ingang openen. Iets wat je hebt gelezen, iets wat op school speelt: “Hee, ik las dit, heb jij daar wel eens van gehoord?” Zo haal je de druk van het persoonlijke af.

En vergeet niet: verbinding zit vaak in de kleine momenten. Samen iets doen, even wandelen, Lego’en, bitterballen bestellen. Dat is een veilige basis. Uiteindelijk wil je dat een kind voelt: als ik iets wíl delen, kan dat. En als ik het niet wil, is er niemand die stiekem toch hoopt dat ik het ga vertellen.' ;)

Oké, dus... vragen staat vrij, maar niet altijd. Ik neem me (weer) voor de oester soms dicht te laten en niet open te wrikken.