Op slag weer 8
Lief dagboek,
‘Je bent 46, kom op, dit kun je gewoon!’ Onrustig ijsbeer ik heen-en-weer voor het Frans Otten-stadion in Amsterdam. Over 2,5e minuut moet ik écht écht écht naar binnen. Niet om voor een dampende massa naakt de Macarena te dansen... was het maar waar. Ik ga naar binnen om Marco van Basten te spreken. San Marco!
Iets waar ik als kind dag en nacht van droomde, komt na een kleine veertig jaar eindelijk uit.
Ik moet bijna kotsen.
Vroeger schreef ik steevast in vriendenboekjes dat ik later Madonna wilde worden, of actrice. Tot mijn achtste. Daarna was in mijn jonge jaren slechts één antwoord mogelijk. Wat ik wilde worden als ik groot was? ‘De vrouw van Marco van Basten.’
Deze liefde ontkiemde tijdens het EK’88. Dat licht-verlegene, zijn gereserveerdheid, dat elegante, zijn killerinstinct, ik vond het allemaal even betoverend. Tijdens dat toernooi sloeg de definitieve vonk over, niet door de hattrick tegen Engeland of de verlossende goal tegen de Duitsers, maar bij de schitterende 2 – 0 in de finale tegen de Russen, of eigenlijk... vlak daarna.
‘Oh wat een goal, wat een goal, wat een schitterend doelpunt zeg, ja. Niet te geloven zoals hij die bal daar in de lucht oppakt in die hoek daar. Níet te geloven, wat een weer-ga-loos doelpunt.’ De woorden van Theo Reitsma zitten onuitwisbaar in mijn geheugen verankerd.
Als Marco juichend wegloopt na zijn wereldgoal, wordt hij staande gehouden door Gerald Vanenburg en Jan Wouters die hem vragen: HOE DAN? Met een verbaasde blik lijkt hij te antwoorden: geen idee.
Na alle euforie loopt Marco weg, zijn blik naar beneden, de camera blijft op hem gericht. Zodra hij opkijkt, en zich bewust lijkt van de camera, lacht hij zijn weergaloze lachje, vol in beeld. Bam, verkocht. Die lach was voor mij, dat kón niet anders. Acht jaar oud en smoorverliefd.