Skontje
Ik lig lepeltje-lepeltje met mijn moeder, ik vóel haar aanwezigheid, haar arm om mijn middel geklemd, we liggen hand in hand. Ik voel me licht. Geen druk op mijn borst. Geen angst. Alles stroomt. Ik ben volkomen kalm. Het lijkt alsof ik 'door mijn moeder heen' adem, en alsof zij op die manier de moeilijke dingen van me overneemt. De zorgen, het gepieker, het lijden in het vooruit. Ik adem door, diep en lang, ik ben een en al rust... En terwijl ik die organische deining van mijn borstkas registreer, realiseer ik me hoe weinig ik dat eigenlijk doe: diep in- of uitademen. Ik ben gewend om kort te ademen, hoog erin, in het tempo waarin ik leef én floreer: snel, snel, snel, kom op, door, we hebben dingen te dóen. Haast. Pak ‘t.
Het leven is té kort om tijd te verspillen aan ademhalen.
Even terug in de tijd: diep doorademen probeerde ik als kind al te vermijden. Zeker als mijn moeder bij me kwam liggen, 's avonds bij het slapengaan. 'Heel eventjes,' zei ze dan. Een kort momentje, dicht tegen me aan, lepeltje-lepeltje, kroelkroel. Heerlijk vond ik dat, want naar bed gaan was bepaald niet mijn hobby. In de nacht namen mijn gedachten het over en piekerde ik me suf, over de tweede wereldoorlog, een toekomstige oorlog, over de dood – dit al vóór mijn moeders ziekte trouwens. Voor al dit grote vrezen was de kalmerende aanwezigheid van mijn moeder hét medicijn. Dan kwam het goed. Een 'skontje' noemden we dat. Afgeleid van het woord seconde. Want lánger kon ze niet blijven, begrensde ze vooraf altijd, uit angst om in slaap te vallen, er was nog genoeg te doen. En natuurlijk was precies dát mijn hoogste doel: ze móest in slaap vallen. Dus lag ik zo roerloos mogelijk in haar armen, zonder te bewegen of diep adem te halen. Alles om haar bij me te houden. Sssst...
Nu, ruim dertig jaar later, in hetzelfde lepeltje-lepeltje, kan ik wél doorademen. Ik voel geen enkele angst dat ze vertrekt. Haar arm ligt stevig, troostend en blijvend om mijn middel, here to stay. Ik voel me geborgen. Veilig. Het is oké, ze blijft, ontspan. Een traan prikt in mijn ooghoek.
Hoe ben ik hier beland? Waar bén ik in godesnaam?